Nog één keer terug naar Amersfoort
Repliek op het artikel "Feiten en Ficties rond Amersfoort" van mevr. Scheepstra over de overval op het Amersfoortse distributiekantoor op 11 februari 1944
Door Bert Bakkenes

In de artikelen in de Anti Fascist over het verzet en andere zaken in de Tweede Wereldoorlog hebben we steeds een duidelijk uitgangspunt. We proberen zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen. Dit is niet makkelijk omdat sommige dingen niet meer te achterhalen zijn, en over andere zaken nog steeds krampachtig wordt gezwegen. Ook nog na meer dan 60 jaar. Wij gaan er ook niet vanuit dat wij de wijsheid in pacht hebben, en daarom ook vragen wij de lezers bij ieder artikel om eventuele extra informatie en aanvullingen. Wij zien ooggetuigen als doorslaggevend, omdat zij bij de gebeurtenissen aanwezig waren. Zij verdienen het om hun verhaal te vertellen, dat vaak anders is dan de archieven aangeven. Dat dit soms tot tegenstrijdigheden kan leiden is logisch, maar het bevordert ook de discussie. Daarom ook verwelkomen wij het artikel van Mevr. Scheepstra over de overval op het Amersfoortse distributiekantoor in de winter van 1944. In het artikel staan een aantal nieuwe feiten die zeker een ander licht op de zaak werpen. Toch staan er ook wat onjuistheden in die rechtgezet moeten worden om het verhaal nog helderder te krijgen, en ook om de slachtoffers van de overval niet in een verkeerd daglicht te plaatsen.

Verraad
In haar artikel geeft Mevr. Scheepstra aan dat er bij de overval geen sprake geweest kan zijn van verraad door de LO/LKP, de organisatie van haar vader Bob Scheepstra, of door wie dan ook. Het mislukken van de overval zou te wijten zijn aan een aantal ongelukkige toevallen, die pas later tot een theorie van verraad zijn gevormd. Inderdaad draagt ze een aantal feiten aan die de theorie van verraad onderuithalen. Zo blijken er pas na de overval KP'ers in Soest te zijn gearresteerd en niet er voor. Van een te kort aan deelnemers bij de KP was dus inderdaad geen sprake. Ook was de arrestatie van de vrouw van Bob Scheepstra pas later in 1944 en kan haar persoonlijke situatie en haar bevrijding geen rol hebben gespeeld in de zaak. Toch blijven er eigenaardige kanten aan dit deel van de geschiedenis kleven. In haar artikel spreekt Mevr. Scheepstra over een verklaring die is afgelegd door de LO-koerierster Ans Louwerse, met betrekking tot de oorsprong van het plan voor de overval. In deze verklaring staat een verslag van een gesprek dat Jan Kanis, de initiatiefnemer van de overval, had met de KP-leider Wim Lengton. Kanis had tijdens dit gesprek voor het eerst het idee van een overval op tafel gelegd. Kanis had bonkaarten nodig, maar Lengton was tegen een overval omdat het onnodig en gevaarlijk zou zijn. Er zouden genoeg bonkaarten zijn en Lengton bood Kanis 5000 kaarten om het tekort op te heffen. Wat echter niet wordt vermeld in het artikel van Mevr.

Scheepstra is dat er in de verklaring staat dat dit gesprek in de zomer van 1943 plaatsvond. Dat is dus meer dan een half jaar voor de overval. Het feit dat er in die zomer voldoende bonkaarten waren hoeft dus niet te betekenen dat er begin 1944 geen tekort was. In de verklaring wordt Louwerse daar wel naar gevraagd, en ze beweert dat er voldoende voorraad was, maar of ze hier als koerierster oog op had is niet zeker. Op een andere vraag in de verklaring, of de overval soms nodig was om belastende papieren te laten verdwijnen, moest ze ook antwoorden dat ze dit niet wist.

De boer op
Het is dus inderdaad niet het geval dat de LO/LKP om een overval vroeg, en Kanis was ook geen lid van deze groep. Maar het is wel duidelijk dat hij bij LO-mensen en op LO- adressen in en uit liep. Ook ging hij met het idee van de overval de boer op. Hij sprak er namelijk niet alleen met Lengton en Louwerse over, maar ook met het Soester KP-lid Hogeboom, Bob Scheepstra en de Fam. Driebergen. Hier kom ik nog op terug. Toen niemand het idee wilde steunen kwam hij blijkbaar toch bij de Raad van Verzet (RVV) terecht. In onze eerdere artikelen wordt ene Ignatius Plomp genoemd als de tussenpersoon die met het idee bij Roel Wolthuis kwam. Het is moeilijk om vast te stellen wie deze Plomp precies was. Maar na alle zaken op een rijtje te hebben gezet kan het bijna niemand anders zijn dan Henk van den Hoef. Hij werkte het plan voor de overval uit en sprak ook met de distributieambtenaar van de Worp, waar Plomp ook mee gesproken zou hebben, en met Kanis. Dat kan geen toeval zijn, misschien was Plomp een schuilnaam. Dit is niet meer te achterhalen. Voor alle duidelijkheid, Kanis kwam met het idee, en van den Hoef werkte het plan uit.
Op zich is hier niets mis mee, maar intussen waren wel heel veel mensen op de hoogte van het plan binnen verschillende organisaties, en dat had heel makkelijk tot uitlekken kunnen leiden. Dit moet op rekening van Jan Kanis geschreven worden. Het blijft een vraagteken waarom Kanis zo gebrand was op de overval. Had hij hier een persoonlijk motief voor of waren er nog andere redenen? In haar artikel schrijft Mevr. Scheepstra dat het niet alleen om de bonnen ging. Dit zou ook door Roel Wolthuis zijn bevestigd. Hij wist overigens niet dat er al bonnen waren aangeboden. Waar het dan wel om ging wordt niet duidelijk. Misschien was het een kwestie van prestige of ging het toch om onderlinge rivaliteit tussen verschillende verzetsgroepen? Het antwoord hierop zullen we waarschijnlijk nooit weten. Na de overval ontsnapte Kanis naar Soest, waar hij korte tijd later op het LO-adres van Beekman werd gearresteerd. Hij werd naar een kamp gestuurd, maar overleefde de oorlog.


mei 2007
De Anti Fascist
12

 

Betrokkenheid Scheepstra
Volgens Mevr. Scheepstra was haar vader Bob Scheepstra op geen enkele wijze betrokken bij de overval. Hij zou in een ander deel van het land actief geweest zijn en niets te maken hebben met de Amersfoortse situatie en de Amersfoortse en Soester groepen. Dit is maar ten dele waar. Inderdaad was hij vooral actief in het oosten van het land in een leidende LO/LKP positie en was hij min of meer bij toeval in Amersfoort in januari 1944. Maar er bestaat een verklaring van hem uit 1968 waarin hij aangeeft dat hij wel degelijk op de hoogte was en ook een rol speelde in het beslissingsproces. Ik citeer uit de verklaring van Bob Scheepstra: “Eind januari 1944 had ik van mijn KP-leider Wim Lengton te Amersfoort gehoord, dat dhr. Kanis hem verzocht had, om met zijn mensen mee te doen aan een mede door hem, Kanis, beraamde overval op het distributiekantoor te Amersfoort. Ik heb daarop aan genoemde knokploegleider verboden daar aan mee te doen, aangezien ik een dergelijke overval niet verantwoord en niet noodzakelijk achtte. Enige dagen later kwam dhr... Kanis voornoemd zelf bij mij aan genoemd adres (Fam. Driebergen), te Amersfoort en heeft mij het plan voor een overval op het distributiekantoor te Amersfoort voorgelegd en de medewerking van de LO/LKP ingeroepen.” Scheepstra was dus wel degelijk zelf op de hoogte en bemoeide zich met de zaak. Hij herhaalde tegen Kanis dat er genoeg bonnen waren en de overval dus niet noodzakelijk was. Kanis leek overtuigd, volgens Scheepstra. Maar dit bleek niet het geval. Hij ging naar een andere LO/LKP-leider B. Veenendaal. Ik citeer nogmaals de verklaring van Scheepstra in verband met de vraag waarom Kanis toch wilde doorzetten: “Op vermelde vraag heeft dhr. Kanis, volgens Veenendaal, gezegd, dat hij 3000 bonkaarten nodig had, waarop Veenendaal hem er 5000 bood.” Hier blijkt dus uit dat er weer een LO/LKP-leider in de zaak betrokken raakte en de vraag is nu ook wie de bonnen eigenlijk aanbod, was dit Lengton in de zomer van 1943 of Veenendaal in jan. 1944? Ook Mevr. Driebergen schijnt nog gepoogd te hebben om Kanis van de overval af te brengen. Maar zonder succes.
In de verklaring vervolgt Scheepstra dat hij al naar Arnhem was teruggekeerd toen de overval plaatsvond. Tegen het einde van het stuk zegt Scheepstra dat hij de Amersfoortse politieman Hafkamp in de oorlog niet heeft gekend, maar later van een andere politieman, E. de Vries, hoorde dat Hafkamp verbindingsman was geweest tussen de politie en de LO/LKP. Hij sluit de verklaring af met een betoog dat Hafkamp niet kon weten dat de overval van het verzet uitging omdat hij niet op de hoogte was gebracht. Ook de schietpartij bij het distributiekantoor zou voor Hafkamp een teken geweest zijn dat het niet om een verzetsactie ging omdat er bij dit soort overvallen erg weinig werd geschoten. Scheepstra probeert dus duidelijk redenen aan te voeren voor het gedrag van Hafkamp en de moord op Fürgler. Overigens gaf hij later tegen Roel Wolthuis tijdens een onderhoud toe dat hij op de dag van de overval wel degelijk nog in Amersfoort was. Mevr. Scheepstra trekt in twijfel dat hier bewijzen voor zijn. Er bestaat een getypte brief

geschreven door Roel Wolthuis op 19 februari 1968 aan Bob Scheepstra. Ik citeer: “Bij je bezoek aan mij, maandag vorige week, heb ik tot mijn verbazing van je vernomen, dat je in de periode van voorbereiding en uitvoering van de mislukte kraak in A’foort verbleef en zodoende met het gehele verloop op de hoogte was. Het bleek mij bovendien dat je met diverse bijzonderheden op de hoogte was, die ik graag in 1945 had willen weten.” In de brief vervolgt Roel Wolthuis dat hij niet mee zal doen aan de pogingen (van Scheepstra) om van Hafkamp een illegaal werker te maken. Hij gaf aan dat als de zaak na de bevrijding niet aan een publieke behandeling was onttrokken de hele geschiedenis allang vergeten zou zijn. Wolthuis sluit af met: “Voor verkapte dreigementen, dat ik het bloed over mijn eigen hoofd zou krijgen, zoals jij dat zo plastisch uitdrukte, ben ik niet geschrokken, en ik wil je daarom uitdrukkelijk wijzen op de mogelijkheid, dat dit je naam als geëerd verzetsman wel eens schaden kon.” Overigens was een deel van de politie wel op de hoogte van het plan. Inspecteur Overbeek was van tevoren geïnformeerd en heeft dit ook verklaard.

De overval
Over de overval zelf is het beeld nu wel duidelijk. Inderdaad was er sprake van een aantal misverstanden en ongelukkige incidenten die tot de tragische afloop hebben geleid. De aanwijzingen die op verraad duiden zijn intussen verklaard of uit de wereld geholpen. Dat er geen buit was is ook aannemelijk gemaakt. Roel Wolthuis had wel degelijk een zak met bonnen naar buiten gesleept, maar toen het mis ging en iedereen moest vluchten zal die zak zijn achtergelaten en de conclusie moet zijn dat de zak vervolgens weer het distributiekantoor is binnengebracht. Dat er over al deze dingen zoveel misverstanden en onduidelijkheden zijn blijven leven heeft vooral te maken met het zwijgen over de zaak. In mijn gesprek met Mevr. Scheepstra zei ze dat haar vader de zaak niet meer opgerakeld wilde zien toen de affaire Hafkamp weer in de publiciteit kwam in 1968. Hij vond dit niet in het belang van alle betrokken. Dit was misschien goed bedoeld, maar het heeft er toe bijgedragen dat veel vraagtekens bleven leven die uiteindelijk tot een theorie zijn geworden. Veel beter was het geweest als in 1968 alles op tafel was gekomen zoals Roel Wolthuis dat wilde. Waarom dit niet is gebeurd kan eigenlijk maar één oorzaak hebben: de zaak Hafkamp. Het was niet in het belang van de overvallers, de LO/LKP en ook niet van Bob Scheepstra zelf om over de zaak te zwijgen. De grote opkomst bij de kranslegging in de Scherbierstraat in 1968 gaf duidelijk aan dat er een wijde belangstelling was. Het zwijgen was eigenlijk alleen maar in het belang van Hafkamp.

Hafkamp
In haar artikel schrijft mevr. Scheepstra dat Karl Fürgler na de overval ontsnapte naar het eethuis van Alblas en zich gewond op zolder schuil hield. Zij voegt hier aan toe: “terwijl hij zijn wapens schietklaar hield”.


mei 2007
De Anti Fascist
13

 

Het lijkt nu of hij daar in een hinderlaag lag, wachtend op de politie die in hun onschuld niet wisten wie zich in het pand verborg. Dat zet de zaken pas echt op z’n kop, want hiermee wordt voorbij gegaan aan het feit dat Fürgler zo zwaar gewond was dat hij een emmer vol met bloed had verloren. Hij moet erg verzwakt geweest zijn, en al helemaal niet in staat tot een hinderlaag. Dat wordt bevestigd door de GGD-arts Dekker die hem meteen na het dodelijk schot van Hafkamp onderzocht en ook later röntgenfoto’s liet maken. Dekker stelt in een verklaring van 21 juni 1945 dat “het slachtoffer voor het dodelijke schot van Hafkamp door bloedverlies niet meer tot enigerlei zelfverdediging in staat was”. In 1968 voegde hij hieraan toe dat Hafkamp dat natuurlijk niet kon weten. Toch blijft het feit dat Hafkamp hem ijskoud doodschoot. Het feit dat hij zijn verklaring hierover verschillende keren veranderde geeft aan dat hij wist dat hij fout zat, maar dat wilde hij natuurlijk niet toegeven. Daarom herhaalde hij in 1968 nog een keer dat hij dacht dat het om een overval van zwarthandelaars was gegaan. Nooit heeft hij berouw getoond, nooit heeft hij de familie van Karl Fürgler bezocht. Sterker nog, hij mocht zijn arrestatie ontlopen en later carrière maken. Dit terwijl het adviserend lid van de Commissie Zuivering Politie, dhr. Dragt, inspecteur van politie te Baarn, er het volgende over zei tijdens de beoordeling van Hafkamp: “De hoofdzaak ligt hierin dat Hafkamp niet had moeten gaan (naar het eethuis in de Scherbierstraat). Dat hij gegaan is, is niet goed te praten. Het is gewoon het afmaken van die man geweest.“ Zijn woorden verdwenen in het vergeetboek, samen met onderdelen van het dossier Hafkamp. Dat een gerenommeerd verzetsman als Bob Scheepstra het voor zo’n persoon opnam hebben de RVV-leden nooit begrepen. Het carrière maken van Hafkamp werd gevoeld alsof Karl Fürgler voor een tweede keer werd vermoord.
Dat Scheepstra het voor Hafkamp opnam valt niet te betwijfelen. Verzetsman Gerrit Kleinveld, die de zaak Hafkamp onderzocht, zei in een verklaring in 1968 dat Scheepstra overdreven opkwam voor Hafkamp. Dit viel vooral op tijdens een bijeenkomst na de kranslegging. Scheepstra beweerde dat de toedracht in de Scherbierstraat heel anders was geweest dan Wolthuis en de anderen hadden aangegeven. In de periode daarna belde Scheepstra Kleinveld regelmatig op om Gerrit er van te overtuigen dat ook hij Hafkamp moest steunen. Tijdens een gesprek op het kantoor van Scheepstra bleek Scheepstra in het bezit van delen van het dossier Hafkamp dat door Gerrit zelf na de oorlog was opgesteld. Toen Gerrit vroeg hoe hij daar aan kwam antwoordde hij dat hij de stukken van de Amersfoortse politie had gekregen en met hen was overeengekomen dat alleen hij met de betrokken politiemensen gesprekken mocht voeren. Al deze gesprekken waren er op gericht om Hafkamp te rehabiliteren. Gerrit heeft duidelijk gemaakt dat hij daaraan niet

kon meewerken en dat hij alleen op een compromis kon aansturen. Gerrit heeft Scheepstra later op de man af gevraagd waarom hij zich zo voor Hafkamp inspande. Gerrit begreep dit niet omdat Scheepstra niet direct bij de overval betrokken was. Dus waarom dan toch die ijver om Hafkamp van elke blaam te zuiveren? Het antwoord van Scheepstra was dat er krantberichten waren geweest over de overval en Hafkamp waarin ook de LO/LKP genoemd werd.
Hij vertelde verder dat een LO-lid en hijzelf op de hoogte waren van de plannen voor de overval, maar dat beiden tegen waren geweest omdat er voldoende bonnen waren op dat moment. Gerrit vond dit geen deugdelijke verklaring voor de inspanningen van Scheepstra voor Hafkamp.

Conclusie
Het artikel van Mevr. Scheepstra en de bovengenoemde feiten vormen samen een helderder beeld van de overval en de nasleep van de tragedie. Het is nooit de bedoeling geweest om wie dan ook, inclusief Bob Scheepstra, van verraad te betichten. Het ging er alleen om de openstaande vragen in te vullen. Daar zijn we, via een lange en vaak ook moeizame weg, voor grote delen in geslaagd. Helemaal af zal het verhaal nooit zijn omdat sommige dingen niet meer te achterhalen zijn. Aan het eind van mijn gesprek met Mevr. Scheepstra kwam naar voren waarom veel linkse verzetsmensen zoveel wantrouwen en verbittering voelden na de oorlog en zelfs vandaag nog. Het antwoord was niet moeilijk te vinden. De linkse groepen en organisaties hadden meer offers gebracht dan wie dan ook. De CPN was de eerste partij die georganiseerd het verzet in ging, en onder meer de Februaristaking organiseerde. Vele kaders en strijders moesten dit met de dood bekopen. Na de oorlog hoopte men een nieuwe wereld te zien. Waar de onrechtvaardigheden van vroeger waren uitgebannen. Dit bleek een illusie. De oude heersers keerden terug en de linkse strijders die het hadden overleefd werden achtervolgd door verschillende inlichtingendiensten. Dat was de dank die ze kregen voor de gebrachte offers. Ook in Amersfoort was dit aan de orde van de dag. Er waren conflicten over het beeld “De Stenen Man”, Kamp Amersfoort werd aan verval prijs gegeven, en op de plek waar ooit de massagraven werden gevonden van de slachtoffers van Kamp Amersfoort mocht een golfbaan worden aangelegd. Al deze dingen droegen bij aan het gevoel van wantrouwen en niet begrepen worden. Het geval Hafkamp was een vroeg voorbeeld van deze hele problematiek. Het enige wat we hier vandaag nog tegenover kunnen stellen is het zoeken en publiceren van de waarheid. Dat proberen we met onze artikelen te doen. En opnieuw voegen wij er het bekende verzoek aan toe; wie nog verdere feiten of aanvullingen heeft is van harte welkom.


mei 2007
De Anti Fascist
14

 

Hieronder ter afsluiting een reconstructie van de overval aan de hand van de feiten die nu bekend zijn:
In feite begint de geschiedenis van de overval in de zomer van 1943 en niet in januari 1944 zoals eerder was geloofd. Het begin was toen Jan Kanis die zomer met KP-leider Lengton sprak over een mogelijke overval op het DK Amersfoort. Koerierster Ans Louwerse was getuige van dit gesprek. Lengton gaf aan dat er genoeg bonnen waren en dat een overval ongewenst en niet verantwoord zou zijn. Volgens de verklaring van Louwerse bood Lengton Kanis daarbij een aantal bonkaarten aan voor de onderduikers van Kanis die voor hem de aanleiding waren geweest om op bonnenjacht te gaan. Kanis ging niet op het aanbod in. Hij ging verder zoeken naar mensen die iets in een overval zouden zien. In januari kwam hij zo uit bij LO/LKP-leider Bob Scheepstra. Scheepstra was sinds begin januari 1944 in Amersfoort na een incident op een vergadering waarbij hij uit een raam sprong en een hersenschudding opliep. Hij herstelde bij de Fam. Driebergen in de Anna Pawlomalaan. Kanis woonde in dezelfde straat. Scheepstra hoorde van Wim Lengton dat Kanis een overval plande en verbood Lengton hieraan mee te doen. Later, begin februari 1944, had Scheepstra zelf een gesprek met Kanis. Hij probeerde Kanis er van te overtuigen om niet tot de actie over te gaan. Hij dacht ook dat hij hier in was geslaagd. Maar kort daarop probeerde Kanis het weer. Deze keer bij de tweede man van de KP, Veenendaal. Ook Veenendaal weigerde mee te doen en gaf hetzelfde antwoord als zijn LO vrienden. Hij bood Kanis 5000 bonnen aan. Eigenlijk had Kanis er maar 3200 nodig. Kanis ging ook hier niet op in en wilde doorzetten. Mevr. Driebergen probeerde hem nog twee dagen voor de overval van 11 februari 1944 op andere gedachten te brengen. Maar Jan Kanis was niet te vermurwen. Dit alles geeft aan dat de LO inderdaad niet om de overval heeft verzocht en dat een aantal leidende leden tegen waren. Wel is het duidelijk dat een aantal LO-leden op de hoogte waren van de plannen: Scheepstra, Lengton, Veenendaal, Louwerse, en Hogeboom. Deze laatste was een ex-RVV-lid die naar de LO was overgestapt. Het feit dat al deze LO-mensen op de hoogte waren van een riskante onderneming is geen bewijs van verraad. Maar het gevaar van uitlekken werd door het grote aantal mede-weters natuurlijk wel steeds groter.
Dat Kanis kort voor de overval niet meer terug wilde had waarschijnlijk met zijn verdere contacten te maken. Hij had contacten gelegd met de RVV en via Roel Wolthuis hoorde Henk van den Hoef dat er een tekort aan bonnen was.
Van den Hoef is toen met het plan naar Roel gegaan om het DK te overvallen en heeft dit ook uitgewerkt. Waarschijnlijk is hij de Ignatius Plomp waar in een kranten bericht in de Amersfoortse Courant in 1997 over werd geschreven. In het bericht staat dat Plomp Wolthuis benaderde en ook contacten aanknoopte met de DK- ambtenaren van der Worp en Plomp. In zijn verklaring zegt van den Hoef dat hij die contacten legde. Het moet dus bijna wel om dezelfde persoon gaan. Misschien is het een schuilnaam, misschien heeft de journalist een fout gemaakt. Van den Hoef regelde ook dat Kanis met politie-inspecteur Overbeek zou spreken om hem te informeren. Dit gebeurde ook, maar niet door Kanis. Cees van Swol sprak in zijn plaats met Overbeek die rustige agenten als

wachtposten indeelde. Waarom plotseling van Swol in het hele verhaal opduikt is niet duidelijk. Hij komt verder nergens voor. De overval zou eerst op 9 februari plaatsvinden, maar dit ging niet door omdat de voorbereidingen niet waren getroffen. Op 11 februari, om 18.00 uur ongeveer, ging de zaak wel van start. Bij het begin van de overval waren er 3 man buiten: Bovee, hij stond in een steegje naast het DK. Hij moest de overige twee wachten aan de overkant van de beek in de gaten houden. Dit waren Kanis en waarschijnlijk H. Overeem. Volgens Bloemhof was Overeem betrokken, maar in de verdere verklaringen komt hij niet voor. Hij kan dus alleen maar een van de wachten zijn geweest. Volgens Wolthuis herkende Bovee, die erg zenuwachtig was, in Overeem en Kanis oude schoolkameraden, en er werden herkenningstekens uitgewisseld. De afspraak was dat de wachten aan de overkant een signaal aan Bovee zouden geven dat de ambtenaren die met politiebegeleiding naar het DK kwamen om de bescheiden uit de buitengebieden af te leveren zouden zijn vertrokken. Als dit signaal kwam kon de echte overval beginnen. Er kwam een signaal, maar niet op de juiste tijd want toen Kersten, Wolthuis, van den Hoef, Fürgler en Bovee binnen bezig waren stonden plotseling de ambtenaren in het kantoor. Bovee was intussen ook binnen omdat Kanis hem in de steeg had afgelost. De begeleidende politieman, van de Kwast, die fout was, rook onraad en alarmeerde het politiebureau. Noch Kanis, noch Overeem heeft hem ingerekend en het grote alarm was compleet. Over de rest van het verhaal is geen onduidelijkheid. Er kwam een grote schietpartij, de overvallers ontsnapten. Wolthuis, van den Hoef, Bovee en Overeem kwamen goed weg. Wanneer Kanis precies verdween is niet duidelijk. Kersten werd aangeschoten maar bereikte een veilige plek. Gijs Hofland werd door de politie, waarschijnlijk van Breughem, aangeschoten en ging via de gevangenis naar een concentratiekamp. Hij overleefde de oorlog niet. Fürgler werd aangeschoten en ontsnapte naar restaurant Alblas in de Scherbierstraat. Daar werd hij later door politie-luitenant Hafkamp op de vliering vermoord. Hafkamp heeft zijn actie altijd verdedigd en later bleek hij waarschijnlijk verbindingsman van de LO/LKP te zijn. Of dit waar is is niet duidelijk. De buit van de overval is nooit echt uit het DK gekomen. Een zak met bonnen bleef achter op de bakfiets die Roel Wolthuis in de steeg klaar had staan. Toen het misging heeft niemand hier meer naar gekeken en de bonnen zijn nooit als vermist opgegeven. Volgens een rapport van de Amersfoortse politie werden er alleen een paar politiepistolen vermist. Die waren door Fürgler meegenomen en werden in de Scherbierstraat op zijn persoon aan getroffen. Als alles goed was gegaan was de buit naar de Montessorischool op de Utrechtse weg gegaan. Daar was die zelfde avond een grote afzetting van de Grüne Polizei. Ze doorzochten de school en de huizen. Dit werd lang als een teken van verraad gezien. Maar in feite was het een doorzoekingsoperatie en geen echte val zoals de SD die plaatste. Waarom deze operatie plaatsvond is niet duidelijk. Er wordt beweerd dat er naar radiotoestellen werd gezocht. Daarvoor lijkt de hele afzetting wel wat grootschalig, maar het is mogelijk. Feit is dat er wel toestellen in beslag werden genomen, onder meer bij een kleermaker.


mei 2007
15