|
MARINE UIT DE KOERS Door Han Siekerman |
|
Wat een komedie over die misstanden bij de Marine. Die zijn er immers altijd al geweest. In het stuk van C. Banning en J. Müller daarover in NRC.H van 8/9 april jl. worden deze bovendien verbonden met de gedachte aan een herintensivering van de Marine. In plaats van serieus aandacht te besteden aan de achtergronden van de onlangs bij de Marine vertoonde porno, vrouwenverkrachting, Amerikaans-martelaartje spelen, enz., wordt de lezer geraffineerd uitgenodigd mee te denken aan een nieuw doel voor de Marine. Ik ben het daar niet mee eens en stel er uit eigen ervaring en een andere zienswijze het één en ander tegenover. Reden waarom dit artikel zowel een autobiografische als politieke inslag heeft. Eerst iets over mijn jeugdjaren. Ik kom uit een gereformeerd/ARP
gezin, was bijna vier jaar toen NAZI-Duitsland Nederland aanviel en herinner
mij de oorlog heel wel. Vader èn moeder namen deel
aan het verzet. Ze boden onderduik aan een joodse vrouw en een verzetsman
(beiden vermoord), verborgen wapens, enz. Ik wist van de angst voor de
moffen èn de inmiddels door de rechtse geschiedschrijving
zo ongeveer gerehabiliteerde NSB. Mijn vaders melkhandeltje ging naar
de knoppen, we trokken uit armoede bij mijn Wormerveerse grootouders in
en ik liet mij romantisch naar (stief)opa Han Siekerman noemen. Moeder
beviel in de hongerwinter van een lieve meid die imbeciel bleek te zijn.
Moeder woog voor de geboorte 35 of 38 kilo, werd met weeën op een
fiets met houten banden door een vreemde naar een kraamcentrum gereden. |
Ik luisterde met open mond naar de verhalen van mijn vader. Hij was dienstplichtig matroos en heeft zich daarin naar de kinderen beslist gematigd. Maar toch, ik hoorde hem over een tegen betaling naakt door donker Den Helder fietsende meid en hij schreef mij over een veel vrouwen verkrachtende bootsman. Zo vernam ik ook over de ruzie met zijn Zaandijker schoonvader. Het ging over de mobilisatie; opa was ook gereformeerd, maar hij ging wèl met het gebroken geweertje ter kerke. Ik ben trots op die kleine kleermaker en hoop dat dat symbool van geen man en geen cent volop in deze gemilitariseerde maatschappij terugkeert. Net van de Ambachtsschool in de Westerstraat in Amsterdam, liet ik mij verlokken door die advertentie Zorg dat je er ook bij komt. Een kind nog, net zestien, tekende ik voor zes jaar in de laagste rang bij de Marine. Ik liet mij in het opleidingskamp-Hilversum drillen door mariniers, werd bij het baksgewijs (ochtendappel) misselijk van de als in films geromantiseerde stortregen van goor-neerbuigende taal door zekere kapitein M. In 1953/4 werd ik (17-jaar) aan boord van de torpedobootjager Evertsen geplaatst. Ik hoefde me nog niet te scheren toen ik daarop werd klaargestoomd voor hulp bij het afvuren van torpedos en maakte onderwijl toneeltjes mee die me doen denken aan datgene waarover onlangs (terecht) veel ophef werd gemaakt. Hierna enige authentieke voorbeelden. |
Ik denk aan die jongen die zijn zilvergrijs gemaakte eikel te pas en te onpas toonde. Ik denk aan de tijdens lang buitengaats verkeren - sociaal een ramp - verdekte, al dan niet afgedwongen, homosexualiteit. En dan was er die nacht waarbij ik, met de oceaangolven in mijn hangmat meewiegend, wakker werd en een stel maten zag genieten hoe één van hen in zijn blote kont wijdbeens over een op een tafel slapende jongen kreunend stond te drukken teneinde op diens gezicht te poepen. Ach, ik durfde mijn mond niet open te doen. 1955/7 zag ik op de basis Pareira te Curaçao tijdens een siësta een groepje mannen geil-lacherig fluisteren rond het met een klamboe behangen bed van een jongen die zichzelf wel, maar verder niet in de hand had. Op de Antillen ook vroeg een kok mij, ik was toen slager, het hakbijltje voor de karbonades en sloeg daarmee even later vier van de vijf tenen van een voet half los. Nog hoor ik zijn gillen tijdens het in de ziekenboeg bij kennis aannaaien daarvan. Die, uitstekend musicerende, jongen deed dat omdat hij die twee jaar lange term in dat vervreemdende milieu niet verdroeg en vervroegd terug wou. Zo kreeg ik daar zelf het complex niet meer terug naar Holland te willen, maar naar Albert Schweitzer in Lambarene. Dat alles, toen niet zo scherp gezien als nu, maar wel in de greep van hun moraal en (niet) de onze (Trotski). Ik denk hierbij aan
de minister van oorlog, zijn niet minder slagvaardige(!) adviseurs
en reclamemakers. Ik denk aan de gemene wervingsfilmpjes bij de verziekte
tv (incl. bij die sex-, oorlog- en popmuziekzenders). Het doet aan ronselen
denken wanneer ik zelfs oorlogje spelende kinderen zie. Wat
zijn dat voor geldbeluste acteurs die met forse tieten en bronzen stemmen
gewone mensen zonder uitzicht helpen werven? De regelmaat waarmee die
advertenties worden vertoond wijst er trouwens op dat velen niets voelen
voor de kadaverdiscipline en al helemaal niet voor oorlogvoeren.
Wat valt daar ook te verdedigen, al blaast men het terrorrisme
nog zo op. Afijn, mijn ouders en de al aangeduide verzetsman (Hans Fuijkschot)
werden door de Duitsers ook al terroristen genoemd... |
| augustus 2006 |
De
Anti Fascist
|
24
|
|
De ruim honderd hierin
opgenomen brieven van VS-militairen, getuigen vrijwel alle van hun lage
burgerstatus en zijn zeer openhartig. Velen van hen wijzen op het miserabele
bestaan dat hen dwong zich naar het front te laten transporteren
(landsbelang, schuldsanering, enz.). Ik moet dat de veteranen van de oorlogen
ná de oorlog nog zien doen. We horen alleen over persoonlijke
stress en de (on)vrije pers informeert nu dan
wel over het oostelijk front, maar stroomlijnt de operaties
voor de aan de macht zijnde politiek als de burgerij in Remarques
onovertroffen Im Westen nichts Neues (1929).[3] Het is opmerkelijk dat
Moores, overigens ook nogal wat onbenullig patriottisme bevattende,
reader maar weinig inbreng heeft van de van veraf schietende navy-boys
en de op grote hoogte hun schone taak verrichtende piloten. En inderdaad:
zij zien noch horen hun verminkt-kermende slachtoffers. Waar blijft het
verbod op de luchtoorlog? |
weliswaar in dienst
kwam ná de Tweede Wereldoorlog en die godvergeten oorlog in Indië,
maar dat ik diende in de jaren van de Koude Oorlog, Korea
en het oplopende conflict (oorlog dus) over Vietnam. Ik herinner
mij het spontaan op t achterdek van de Evertsen (toen commandoschip
van Smaldeel V der NAVO) in de docs van Liverpool zingen van En
we gaan naar Indo-Chihina-en-we-gaan-naar-Djen-Bjen-Foe (7 mei 1954).
Dat kan alleen met instemming van de brug (commando) geweest
zijn... Er was dus ondanks die misstanden doel genoeg, zoals
er altijd wel voor onze in feite door de VS geleide democratieën
oorlogsobjecten zijn. |
Niks geen nieuw doel dus voor de Marine en dat al helemaal niet tegen Venezuela. Weg met de levensbedreigende oorlogsschepen van de VS uit Willemstad. Toon moed Coco en Edgar Palm, broodbezorger Simon, jij Dominicaanse prostituée die ik in Campo Allegre omarmde en vooral ook Pablo ouwe bedelaar met je strooien hoed. Stuur die bemanningen terug voor ze ook brieven aan Moore moeten schrijven. En wat betreft hier: laat men onze militairen serieus nemen en niet manipuleren met lege hulzen als een taak. Daarvan kan alleen sprake zijn wanneer de Verenigde Naties het initiatief nemen en dermate gedemocratiseerd worden dat elk land(je) werkelijk evenveel te zeggen heeft. Men zou nog eens mogen denken aan de filosoof Frans Hemsterhuis (1721-1790). Die begreep (1779) dat marinemannen die men 40 maanden aaneen op een schip hield wel aan het muiten moesten slaan en daarvoor niet mochten worden gestraft.[6] De psychologisch daarmee vergelijkbaar vervreemdende leefomstandigheden van de militairen van nu en de hun en ons gemanipuleerde hulpfunctie (bij de agressie aan het front) is reeds op zichzelf een wantoestand. Noten: |
| augustus 2006 |
De
Anti Fascist achterpagina
|
25
|