Terugkeer naar Amersfoort
Waar bleef de buit van de overval op het distributiekantoor?
Door Bert Bakkenes

In een eerder artikel over de moord op de Amersfoortse verzetsman Karl Fürgler hebben we de geschiedenis verteld van de mislukte overval van het verzet op het distributiekantoor in Amersfoort op 11 februari 1944. Een geschiedenis die ook vandaag nog actueel is omdat de ware toedracht nooit boven water is gekomen. Na publicatie van het artikel, als onderdeel van het onderzoek naar de Velser Affaire, zijn er veel nieuwe feiten naar voren gekomen die tot een verder onderzoek hebben geleid. Hierdoor kwam er zoveel materiaal beschikbaar dat een vervolg artikel mogelijk bleek.

Hoe het allemaal begon
In 1944 waren overvallen op distributiekantoren de enige manier om aan de grote vraag naar bonkaarten voor de talloze onderduikers te voldoen. In februari 1944 werden er plannen gemaakt om ook in Amersfoort zo’n overval uit te voeren. Volgens een aantal bronnen kwam het verzoek om een overval van de LO/LKP, de organisatie die hulp gaf aan onderduikers en in Amersfoort werd geleid door onder meer Bob Scheepstra. De LO/LKP zou de hulp hebben ingeroepen van de Raad van Verzet (RVV) om de actie uit te voeren. Over deze toedracht bestaat al lange tijd onenigheid. Volgens de RVV was de LO/LKP betrokken bij de planning en de uitvoering van de overval. Maar Scheepstra heeft na de oorlog gesuggereerd dat er helemaal geen tekort aan bonnen was, en dat de overval dus niet nodig was geweest.

Roel Wolthuis, die de leiding had tijdens de overval als commandant van het district Utrecht-West van de RVV, heeft de versie van Scheepstra altijd bestreden, en de feiten die nu aan het licht zijn gekomen onderbouwen zijn standpunt. Pas in 1968 kwam Wolthuis er achter dat Scheepstra op de dag van de overval wel in Amersfoort aanwezig was, op zijn onderduikadres in de Anna Paulowmalaan, en via de PTT ambtenaar Kanis op de hoogte werd gehouden van de voorbereidingen en de uitvoering van de kraak. Tijdens dat hele proces heeft Scheepstra bij weten van de RVV geen enkele keer geprobeerd om het plan te wijzigen of te blokkeren. Integendeel, Kanis hield het contact tussen de groepen gaande en de LKP leverde 1 of 2 wachtposten.

De overval zou eerst op 9 februari plaatsvinden, maar dit kon niet doorgaan omdat een contact binnen het kantoor niet op tijd bereikt kon worden. Hij moest de pennen uit de ramen halen wat de actie makkelijker zou maken.
Uiteindelijk werd de “kraak” op 11 februari, op de late vrijdagmiddag, uitgevoerd. Roel Wolthuis, die net uit Kamp Amersfoort was ontsnapt, had de leiding. Er waren zes RVV-overvallers bij de actie betrokken, plus de wachtpost van de LKP. De operatie begon om 17.30 uur toen een van de RVV leden nauwkeurig in de gaten hield hoe de ambtenaren stuk voor stuk naar huis vertrokken. Kort voor 18.00 uur waren er nog zes mensen in het pand, waaronder één politieagent. De wachtpost buiten werd toen overgenomen door een KPer.
Deze wachtpost moest een signaal geven als ook de ambtenaren uit de buitengebieden, die met hun politiebewaking stamkaarten kwamen afleveren, waren vertrokken.

Dan zouden de overvallers in actie komen. Het signaal werd inderdaad gegeven en de groep drong naar binnen. Achter het gebouw stond een PTT-bakfiets klaar om de bonnen te transporteren. Roel Wolthuis had een PTT-uniform aan en zou de bonnen naar hun bestemming brengen, een Montessorischool aan de Utrechtseweg. De ambtenaren die nog binnen waren, plus een stoker en een werkster werden overmeesterd. De enige aanwezig politieman werd door Karl Fürgler ontwapend en onder schot gehouden in de buurt van de voordeur.

Alarm
Karl Fürgler, die in Kiëv uit het Duitse leger was gedeserteerd en naar Nederland was gevlucht, waar hij zich bij het verzet aansloot, had de uniformjas van de agent aangetrokken om zo minder op te vallen. Het wapen van de politieman had hij in beslag genomen. Toen de overval ongeveer vijf minuten bezig was sloeg het noodlot toe. De ambtenaren uit de buitengebieden arriveerden met hun stamkaarten en politie-escorte bij de voordeur van het distributiekantoor. De “foute” politieman v.d Kwast rook onraad en rende naar het daarnaast gelegen politiebureau om alarm te slaan. De KP-wacht buiten, die eerst al een verkeerd veiligheidssignaal had gegeven, faalde nu opnieuw door v.d. Kwast niet in te rekenen of uit te schakelen.
Het resultaat was dat binnen de kortste keren ongeveer 15 bewapende politieagenten, aangevoerd door de NSB-commandant van Breughem, bij het distributiekantoor verschenen en het vuur openden.


februari 2005
achterpagina
8

 


Politiebureau Plantsoen West (jaren ‘40)

Door deze overmacht aan vuurkracht werd Karl Fürgler overrompeld. Omdat hij vooraan in het gebouw was kreeg hij als eerste met de aanvallers te maken. Hij vuurde terug, vastbesloten om de overhaaste aftocht van zijn kameraden te dekken. Hierbij werd hij in het been en de lies geraakt door politiekogels. Intussen zat er voor de RVV-ploeg niets anders op dan zo snel mogelijk te ontsnappen. Door de voordeur was dit niet mogelijk omdat tientallen politiekogels zich in de muren van het gebouw boorden. Ontsnappen was alleen mogelijk door een achterraam dat in een steeg uitkwam. Terwijl Fürgler de Amersfoortse politie op een afstand hield verlieten Roel Wolthuis en zijn mannen het gebouw via het raam. De RVV-mannen gingen iedere hun eigen weg. Dit was een gebruikelijke tactiek, omdat bij elkaar blijven te opvallend en dus gevaarlijk was. Wolthuis ging naar zijn onderduikadres net buiten de stadsrand. Van de anderen kwamen Henk Bovee, H. Overeem en Henk van der Hoef goed weg. Gerrit Kersten raakte gewond, maar bereikte wel een veilige schuilplaats waar hij verpleging kreeg. Hij is wel voor de rest van zijn leven

gehandicapt gebleven. Gijs Hofland zette het op een lopen en getuigen hebben hem door de Utrechtsestraat zien rennen met een schietende politieman, waarschijnlijk van Breughem, achter hem aan. In de Hellestraat werd hij getroffen en ingerekend. Hofland werd eerst naar het ziekenhuis gebracht en later naar de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam. Een poging om hem te bevrijden mislukte, en in een Duits concentratiekamp is hij tegen het einde van de oorlog overleden. Waarschijnlijk is hij in een massagraf begraven.

Fürgler ontkomt
Terwijl zijn vrienden probeerden te ontsnappen bleef Fürgler aan de voorkant schieten. Later bleek dat de politie meer dan 200 kogels had afgevuurd. Uiteindelijk ontsnapte hij toch via de voordeur en ontkwam op de fiets van een omstander, ondanks zijn verwondingen. De Oostenrijker was 24 en getrouwd met een Amersfoorts meisje waarbij hij een zoontje had. Hij stond bekend als een fel tegenstander van de nazi’s. Hij zat ondergedoken bij de familie Alblas in de Lange Beekstraat waar hij door de vrouw van Alblas in huis was gehaald. Toen hij het distributiekantoor achter zich had gelaten zag hij maar één uitweg. Hij reed naar het eethuisje dat de familie Alblas runde in de Scherbierstraat 3. Hij werd opgevangen door mevr Alblas en haar dochter en zijn bloedende been werd afgebonden. Mevr Alblas verliet toen het pand om een vertrouwde dokter te zoeken. Haar man, waarmee ze een slechte relatie had, maakte van haar afwezigheid gebruik. In een latere verklaring zegt hij dat hij erg bang was dat de Duitsers zich met de zaak en dus ook met hem zouden gaan bemoeien. Hij ging naar het politiebureau en meldde dat

er een gewonde man in zijn pension was aangekomen die Duits sprak. Er was toen al meer dan een uur verstreken sinds het einde van de overval maar de politie was nog steeds in rep en roer. Er werden een paar agenten naar de Scherbierstraat gestuurd om te kijken wat er daar precies aan de hand was.

Hafkamp
Intussen was de Inspecteur van Dienst A. Hafkamp bij het politiebureau verschenen. Hij heeft verklaard dat hij langs het distributiekantoor fietste en zag dat daar wat aan de hand was. Maar hij ging eerst naar het bureau om zich te laten informeren. Hij heeft altijd volgehouden dat hij eerder niet wist dat er een overval was geweest. Dit is een leugen omdat de wachtcommandant, Keuken, in het dagrapport heeft genoteerd dat hij Hafkamp heeft gebeld om hem op de hoogte te stellen. Toen Hafkamp in het bureau aankwam werd er druk over de overval gesproken en kreeg hij te horen dat er een paar politiemannen (Lagerwij, v Burik en Molenaar) naar de Scherbierstraat waren gegaan om de melding over een gewonde man bij Alblas na te trekken. Ze waren nu al een hele poos weg zonder bericht. Dit werd als verontrustend gezien. Hafkamp besloot zelf te gaan kijken en reed naar de Scherbierstraat in de auto van de GGD-arts, Dekker, die achter het stuur zat. In de smalle straat aangekomen waren er al veel mensen aanwezig die op afstand werden gehouden door de politiemannen. Hafkamp heeft steeds volgehouden dat hij geen idee had dat de gewonde man een illegaal werker kon zijn. De man sprak immers Duits en hij ging er ook vanuit dat de overval door zwarthandelaars was uitgevoerd. Een onzinnige bewering omdat alleen de illegaliteit dit soort


februari 2005
achterpagina
9

 

overvallen uitvoerde. De andere politiemannen hebben daarbij ook nog verklaard dat er tussen de agenten onderling over werd gesproken dat de man alleen van de overval afkomstig kon zijn en zich dus waarschijnlijk tot het uiterste zou verdedigen.
Hafkamp nam de leiding en er werd eerste een ladder gehaald om door de ramen van de eerste etage naar binnen te kijken. Hafkamp heeft zijn verklaringen over de zaak verschillende keren veranderd. Toen er door de ramen niets te zien was, is hij naar binnen gegaan gevolgd door agent v Burik of Molenaar. In een van de verklaringen heeft Hafkamp beweerd dat hij met v Burik naar binnen ging. Op de eerste etage konden ze niets vinden en zijn toen de trap naar de vliering opgeklommen. Daar maakte Hafkamp gebruik van een zaklantaarn om zich te oriënteren. Onder een stapel viltpapier zag hij beweging en kwam tot de conclusie dat hier een persoon verscholen lag. Als we de verklaring van Hafkamp volgen, hoorde hij hoe de slee van een pistool naar achteren werd getrokken. Hij riep “handen omhoog” maar de persoon onder het papier leek zich om te draaien, klaar om te schieten. Hafkamp beweerd dat hij toen twee keer heeft geschoten. Het tweede schot raakte de hartstreek van Karl Fürgler en was dodelijk. Volgens Hafkamp vuurde ook van Burik een schot af. Maar hier stuiten we opnieuw op tegenover elkaar staande verklaringen. van Burik zegt in zijn verklaring dat hij de ladder heeft weggebracht en dus niet op de vliering was toen de schoten vielen. Hij kwam pas later binnen, nog net op tijd om de twee of drie pistolen in ontvangst te nemen die bij Fürgler waren gevonden. De andere agent die ter plaatse was, Molenaar, zegt in zijn verklaring dat hij wel op de vliering was, maar dat hij niet heeft geschoten. Alleen Hafkamp zou

gevuurd hebben. Hafkamp heeft altijd beweerd dat hij uit zelfverdediging heeft geschoten nadat hij hoorde hoe de slee van Fürgler’s pistool werd doorgetrokken. Maar er was nog een ander persoon op de eerste verdieping die kon horen wat er op de vliering, die een verdieping hoger lag, gebeurde. Deze persoon was de GGD-arts Dekker. Hij verklaarde later dat ook hij de klik van het pistool had gehoord, maar dat er daarna nog 30 minuten voorbij zijn gegaan voordat Hafkamp schoot. Met zelfverdediging heeft dit dus niet veel meer te maken. Ook van de waarschuwingsschoten waarover Hafkamp in sommige verklaringen spreekt is door de andere aanwezigen niets vernomen.


Scherbierstraat Nr3 (met het puntige dak)

Nasleep
Nadat de schoten waren gevallen ging de dokter de vliering op. Toen hij bij Fürgler kwam leefde hij nog, maar hij overleed seconden later. De dokter bevestigde het intreden van de dood en liet het lichaam daarna aan de politie over. Aan een touw werd het lichaam van de verzetsman naar beneden getakeld en in de keuken neergelegd. Met een ambulance is het lijk naar het ziekenhuis overgebracht waar

sectie werd verricht en enkele röntgenfoto’s werden genomen. Volgens Dr. Dekker had Fürgler vier schotwonden waarvan de wond in de borstkas dodelijk was. De dokter verklaarde dat Fürgler al in een ernstige toestand was toen Hafkamp het dodelijk schot loste, maar de actie van Hafkamp versnelde de dood. Dekker betwijfelde dat de verzetsman zich nog had kunnen verdedigen, want hij had veel bloed verloren. Op de zolder werd een emmer vol bloed aangetroffen. Toen mevr Alblas weer in het eethuis terugkwam zag ze de politiemannen bezig met het lijk. Ze vroeg hen wat ze in haar huis deden. “Dat zul jij niet weten,” kreeg ze toegebeten. De agenten hadden zich ook tegen de dochter van Alblas, Elizabeth, niet al te hoffelijk gedragen.
De volgende dag werden zowel Alblas als ook zijn vrouw door de politie opgehaald voor verhoor. Alblas werd naar de Weteringschans in Amsterdam gebracht. Hij werd vijf dagen vastgehouden zonder te worden verhoord. Mevr. Alblas werd in Amersfoort opgesloten en door Hafkamp verhoord. Volgens de vrouw deed hij dit op een brutale manier. Hij bedreigde haar, zette haar onder druk en hield haar voor dat ze zou worden doodgeschoten als ze niet onmiddellijk de waarheid zou vertellen. In haar naoorlogse verklaring zegt ze dat ze in die tijd veel contacten met het verzet had. Tijdens de ondervraging liet ze echter niets los. “Vrienden uit het verzet hadden me voor Hafkamp gewaarschuwd. Hij zou fout zijn. Door de manier waarop hij het verhoor deed raakte ik hier ook zelf van overtuigd.” Al deze ontwikkelingen waren niet bekend bij Roel Wolthuis en de andere leden van de groep die de details pas na de oorlog vernamen en ook wie het dodelijk schot had gelost. Dagen na de overval moest het Amersfoortse politiekorps aantreden en werd een aantal agenten waaronder Hafkamp geprezen voor hun doortastende


februari 2005
achterpagina
10

 

optreden tijdens het incident. Volgens een foute politieman, de NSB-wachtmeester van der Tol, gebeurde dit in het openbaar in het bijzijn van een hoge SD-functionaris uit Amsterdam en de NSB-burgemeester van Amersfoort Harloff. Er kwam ook een eervolle vermelding in het politieblad.

Na de bevrijding
Kort na de bevrijding komt Roel Wolhuis er achter hoe zijn verzetskameraad aan zijn einde is gekomen en dat Hafkamp niet alleen voor zijn optreden is geëerd, maar na de bevrijding ook nog eens officier van de Politieke Opsporingsdienst (POD) was geworden.
In december 1944 was hij ondergedoken en hij beweerde een belangrijke rol in het verzet te hebben gespeeld. In juni 1945 gaat Wolthuis naar Gerrit Kleinveld, die ook in de POD dienst doet en vraagt hem hoe hij en de andere overvallers een klacht tegen Hafkamp en de andere betrokken agenten kunnen indienen. Kleinveld geeft het nodige advies en er wordt een onderzoek ingesteld dat door hemzelf wordt geleid. Hij vindt de nodige bewijzen tegen Hafkamp en de zaak wordt voorgelegd aan de Commissie Zuivering Politie, die het geval een aantal keren bespreekt en ook de getuigen hoort.

Onder aanvoering van het adviserend lid Dhr. Dragt, hoofd van de Politieke Recherche Afdeling (PRA) besluit de commissie dat Hafkamp had kunnen weten dat het bij de overval om een verzetsactie ging en dat dus de man in pension Alblas een verzetsman moest zijn. Hij had niet naar de Scherbierstraat moeten gaan, te meer hij hier geen opdracht toe had, en dus op eigen initiatief handelde. Zelfs als hij daar naar toe was gegaan om te kijken hoe het met

de andere agenten stond, had hij het hele onderzoek kunnen stoppen toen hij had gezien dat zijn mannen niet in de problemen zaten. Na een vluchtig onderzoek had hij de aftocht kunnen blazen, Fürgler met rust latend. Het feit dat hij dit niet had gedaan werd als voldoende voor ontslag met behoud van rechten gezien. Volgens commissielid van Dragt had Hafkamp niets anders gedaan dan “de man gewoon afmaken”.

Gerrit Kleinveld kreeg opdracht om Hafkamp op te pakken. In november 1945 gaat er een arrestatieteam naar zijn huis. Maar de vogel is gevlogen. Het blijkt dat Hafkamp naar Borneo is vertrokken om als vrijwilliger dienst te doen. Voor Gerrit Kleinveld was dit het einde van de zaak op dat moment. Hij leverde het dossier in en ging zich met andere zaken bezig houden. Kleinveld heeft altijd gedacht dat Hafkamp is gewaarschuwd dat hij zou worden gearresteerd. Hij vermoedt dat de chef van Hafkamp, Goorhuis, dit heeft gedaan. Goorhuis zat in de commissie en was op de hoogte. Achter de schermen werd daarna het nodige in het werk gesteld om Hafkamp van alle blaam te zuiveren. Terwijl hij in Borneo zit krijgt hij verschillende brieven van de Nederlandse autoriteiten inclusief een aantal vragen over zijn oorlogsverleden bij de Amersfoortse politie. Hij beantwoordt de vragen en krijgt uiteindelijk een brief waarin hij gezuiverd wordt verklaard. Dit gaat totaal in tegen de bevindingen van de Commissie Zuivering Politie, en is moeilijk te begrijpen. In ieder geval kan Hafkamp met een gerust hart naar Nederland terugkeren in september 1949 en tot juli 1950 deed hij weer dienst bij de Amersfoortse politie. Een van de voormalige overvallers, Gerrit Kersten, zag hem tijdens een optocht ter herdenking van de bevrijding. “Hij had een sjerp om. Iemand uit het publiek riep ‘Moordenaar!’

Daarna heb ik hem nooit meer gezien.” Hafkamp solliciteerde naar een positie bij de politie in Baarn. Maar daar wilde men hem niet hebben omdat het te dicht bij Amersfoort was en de zaak Fürgler nog steeds scherp in het geheugen gegrift stond. Uiteindelijk ging hij naar Gorkum, waar hij later korpschef werd. Later kwam Kleinveld achter de reden voor de zuivering van Hafkamp. Toen hij het dossier opnieuw in handen kreeg waren hieruit de meest belastende stukken verdwenen waaronder het arrestatiebevel, en de verklaring van Mevr Alblas.

Bob Scheepstra
Tijdens de verschillende onderzoeken heeft de LO/LKP-leider Bob Scheepstra het altijd voor Hafkamp opgenomen. De reden hiervoor is nooit duidelijk geworden, maar moet verband houden met Scheepstra’s eigen rol in de voorbereidingen voor de overval. Na de oorlog heeft hij steeds beweerd dat hij tegen de overval was en zijn eigen KP verbood om er aan mee te doen. Volgens Scheepstra was het vooral de PTT-ambtenaar Kanis die op de overval was gebrand. Hij zou er verschillende keren met Scheepstra over hebben gesproken, die probeerde om hem van de actie te laten afzien. Hij zou hem zelfs bonnen hebben aangeboden. Scheepstra verklaarde ook dat hij tijdens de overval al was teruggekeerd naar zijn woonplaats Arnhem. Dit bleek in ieder geval een leugen, want in 1968 gaf hij tegenover Roel Wolthuis toe dat hij op die dag nog steeds in het huis van de familie Driebergen verbleef aan de Anna Paulownalaan in Amersfoort. Wolthuis, die volhoud dat Scheepstra en kompanen de hele zaak hebben verraden, heeft de bewijzen van Scheepstra’s aanwezigheid in de stad in handen. Kanis, die tegenover Scheepstra’s duikadres woonde, hield


februari 2005
achterpagina
11

 

hem steeds op de hoogte van de voorbereidingen en de uitvoering. Scheepstra heeft steeds geprobeerd om de LO/LKP van de overval te distantiëren. De kans is groot dat dit te maken had met de wel erg vreemde relatie die er bestond tussen de LO/LKP en de Amersfoortse politie waarvan de korpschef, van Breughem, in direct contact stond met de SD en Grüne Polizei.

De Amersfoortse politie
Het beeld dat de verschillende politieagenten, die na de bevrijding verklaringen aflegden over de gebeurtenissen, van het korps maken een onwaarschijnlijke indruk. Er wordt onder meer beweerd dat het contact tussen de politie en het verzet zo goed was dat “ongelukken” al bij voorbaat uit te sluiten waren. Er zou op allerlei manieren hulp zijn geboden waaronder het begeleiden van ontsnapte geallieerde piloten, wapentransporten en koeriersters op doorreis. De politie zou ook altijd op de hoogte zijn gesteld van verzetsacties. Een van de overvallers, Henk van de Hoef ontkent dit. “We onderhielden over het algemeen geen contact met de politie omdat ze niet te vertrouwen waren. Ze stonden niet toe dat we mensen weghaalden uit de transporten naar en van Kamp Amersfoort. Verder heb ik Goorhuis, de toenmalige politiechef, zelf met de bus van de Winterhulp zien lopen.” Hafkamp zou in de ‘heldhaftige’ rol van de politie een stevig aandeel hebben gehad. Maar dit beeld kan eenvoudig niet kloppen, en er zijn ook geen bewijzen van. Zeker waren er agenten die het verzet een warm hart toedroegen en hulp gaven. Maar er waren ook veel

aanhangers van de zogenaamde “Nieuwe Orde” en de politiecommandant van Breughem was een overtuigd nationaal-socialist die nooit zou hebben toegestaan dat zijn korps op grootschalige wijze het verzet steunde.

De Amersfoortse historicus Joop Bloemhof zegt in zijn boek “Amersfoort 40-45” deel 1 dat in 1943 het Amersfoortse politiekorps werd uitgebreid met NSB- leden van de Hulp Politie en een groep zogenaamde Schalkhaarders. “Het korps was, op een enkele agent na, een willig werktuig in handen van de bezetter.” Volgens Bloemhof is de zuivering na de oorlog nergens zo teleurstellend verlopen als bij de politie. Hafkamp zelf bracht twee maanden in Schalkhaar door op de nationaal-socialistische politieopleiding, waar de Hitlergroet verplicht was. Ook over deze zaak hebben de verschillende zuiveringsinstanties zich gebogen. Hafkamp heeft zelf altijd verklaard dat hij tot de detachering gedwongen was, omdat weigering als sabotage zou worden gezien. Dit zou hem en zijn familie in gevaar hebben kunnen brengen. Voor het brengen van de Hitlergroet gebruikte hij hetzelfde excuus. Zijn verklaring werd geloofd.

In zijn verklaringen heeft Hafkamp ook steeds herhaald dat de politie niet op de hoogte was van de overval, terwijl dit normaal gesproken wel het geval was geweest. Daarom moest hij wel concluderen dat het om een actie van zwarthandelaars ging. Maar uit andere verklaringen blijkt dat er wel contact was opgenomen. Volgens één van de overvallers zou Kanis contact opnemen met inspecteur Overbeek. Dit contact is er ook geweest, maar niet door Kanis. Na de

oorlog heeft Overbeek, die vaker contact met het verzet had, verklaard dat hij op de hoogte werd gesteld door de bekende verzetsman Cees van Swol. Hem werd gevraagd hulp te geven. Overbeek: “Ik heb toen gezegd dat ik niets kon garanderen. Maar ik heb wel rustige agenten op de wachtposten gezet. Toen ik hoorde dat het misgelopen was heb ik van Swol hier van op de hoogte gesteld.”

Nog even terug naar februari 1944
Na de oorlog heeft Henk van de Hoef verklaard dat hij het plan voor de overval had ontworpen en dat hij ook contact heeft gezocht met de ambtenaren binnen het distributiekantoor die toezegden hulp te zullen geven. Dit hebben ze ook gedaan. Met de politie heeft hij geen contact gehad. Via een ander kanaal is dit wel gebeurd, maar van de Hoef heeft duidelijk laten blijken dat hij weinig vertrouwen in de Amersfoortse politie had. Ook binnen de RVV werd het plan besproken en Gerben Wagenaar, de CPN vertegenwoordiger in de RVV, was aanwezig tijdens een van de besprekingen. De buit van de overval zou naar de Montessorischool aan de Utrechtseweg, waar een familielid van van de Hoef werkte, worden overgebracht. Maar toen een koerierster die avond richting de school reed zag ze dat alles was afgezet door de SD en de Grüne Polizei. Er is later beweerd dat de Duitsers op zoek waren naar verboden radiotoestellen. Maar volgens een getuige, een kleermaker die in de buurt woonde, werd het hele gebied rond de school door de Duitsers met zwaar materieel afgezet. Iedereen werd gecontroleerd. Voor een paar illegale radiotoestellen zou nooit zo’n grote


februari 2005
achterpagina
12

 

operatie zijn opgezet. De bevindingen van de koerierster waren voor Wolthuis en zijn vrienden voldoende om aan te nemen dat de hele overval verraden was. Immers als het plan zonder tussenkomst was uitgevoerd zouden de overvallers bij de school recht in de armen van de Duitsers zijn gelopen. Wolthuis gaat er nog steeds vanuit dat de Duitsers alleen vanuit LKP-kringen rond Scheepstra kunnen zijn getipt. Dat zou ook verklaren waarom Scheepstra alle mogelijke moeite heeft gedaan om Hafkamp te verdedigen en de LO/LKP van de overval te distantiëren. De sporen van verraad moesten worden uitgewist.


Het distributiekantoor Plantsoen West.
Tijdens de schietpartij lagen de vurende politiemannen langs de glooiende oever van de beek

De PTT-ambtenaar J. Kanis, die een niet onbelangrijke rol in de zaak heeft gespeeld, deelt de kritiek van de RVV-leden met betrekking tot de Amersfoortse politie. Kanis was een van de wachtposten tijdens de overval, en hij vindt dat de politie zich te veel in dienst heeft gesteld van de bezetter.

“De drie overvallers die werden neergeschoten werden getroffen door Nederlandse politie-kogels. Moesten die agenten raak schieten? Op bevel van de Amersfoortse korpscommandant van Breughem schreef agent Jorrisma kort na de overval een stuk voor het politieblad, waarin hij de overvallers zwarthandelaren en misdadigers noemde. Na de oorlog kreeg hij ontslag en Hafkamp (die toch iemand had doodgeschoten) kreeg promotie. “Zelf werd ik (voor een andere zaak) opgepakt door de Nederlandse politie. Ik werd door de Nederlandse politie, samen met de SD verhoord en het was de Nederlandse politie die mij naar Kamp Vught bracht.” Hij kwam uiteindelijk in Dachau terecht, maar overleefde de oorlog. Wolthuis: “Het optreden van Hafkamp is op geen enkele wijze goed te praten. Hij had een heel andere houding kunnen aannemen. Bij de bevrijding reed Hafkamp voorop in de stoet op zijn paard. De weduwe van Fürgler stond op de stoep te kijken, maar Hafkamp draaide zijn hoofd af. Hij heeft nooit een woord van deelneming laten horen.”
Een ander element van de zaak is dat het onbekend is waar de buit van de overval is gebleven. Want ondanks dat de overval mislukte werden er wel zakken vol bonnen buitgemaakt. Wolthuis: “Ik heb na de oorlog geïnformeerd wat er met de buitgemaakte bonnen is gebeurd. Ik heb nooit een bevredigend antwoord gekregen. Ik weet nu nog steeds niet hoe dat allemaal is gelopen.”

Herdenking 1968
Na het vertrek van Hafkamp naar Gorkum

leek de zaak definitief in de doofpot te verdwijnen. Jarenlang bleef het stil, tot 1968. Op een bijeenkomst van de ex-politieke gevangenen organisatie EXPOGE kwamen verschillende oud-verzetsleden met het idee om een herdenking voor Karl Fürgler en Gijs Hofland te organiseren in de Scherbierstraat. De aanleiding was een plan van de gemeente om de kleine oude huisjes, waaronder ook het voormalig pension Alblas op nr. 3, te slopen. Het zou de laatste mogelijkheid zijn om een herdenking te houden op de plek waar Karl Fürgler was vermoord. Het plan bereikte een journalist van de Haagse Post, Eelke de Jong. Hij vroeg Roel Wolthuis om een interview en Wolthuis stemde in. “Ik had hem gevraagd om pas te publiceren na de herdenking. Maar hij bracht het stuk eerder uit met een commentaar van Hafkamp waarin hij mij een communist noemde en herhaalde dat hij indertijd dacht dat het om een overval door zwarthandelaars ging.” Berouw was er van de zijde van Hafkamp in ieder geval niet bij. Hij benadrukte in het artikel dat Fürgler toch al op sterven lag, en herhaalde de leugen dat hij waarschuwingsschoten had afgevuurd.

Het artikel viel slecht bij Wolthuis en de andere RVV-leden. Op zaterdagmiddag 10 februari 1968 ging de groep naar de Scherbierstraat waar, onder grote publieke belangstelling, een krans werd opgehangen voor de gevallen overvallers. Daarna spijkerde Roel Wolthuis een bordje aan de deurpost met de volgende tekst: “Op deze plaats werd op 11 februari 1944 vermoord, de illegale werker


februari 2005
achterpagina
13

 

Karl Fürgler. Als medestrijder aan een overval op het voormalig distributiekantoor wist hij, hoewel gewond, hierheen te vluchten, waarna de Nederlandse politie-officier Hafkamp hem opspoorde en als een hond afmaakte.” Deze tekst wekte de woede van Hafkamp op en hij klaagde Roel Wolthuis aan voor smaad. Op zich stond er niets in de tekst wat al niet eerder was gezegd, want ook de Commissie Zuivering Politie had kort na de oorlog al van het adviserend lid, Dhr. Dragt, gehoord dat de actie van Hafkamp niets meer was dan “het afmaken van de man”. Maar de aanklacht werd doorgezet en de zaak werd door Wolthuis verloren omdat Hafkamp al eerder gezuiverd was. Toch leverde het onderzoek, dat aan de uitspraak vooraf ging, weer een aantal feiten op die hebben bijgedragen aan het vormen van een completer beeld van de gebeurtenissen in Amersfoort op 11 februari 1944. Opnieuw viel op dat tijdens

dit nieuwe onderzoek Bob Scheepstra alles in het werk stelde om Hafkamp te steunen en te ontlasten. De hele geschiedenis maakt twee dingen duidelijk; de RVV-groep die de overval op het distributiekantoor uitvoerde is tweemaal het slachtoffer geworden van verraad. Ten eerste het verraad van de actie zelf, waarbij de vreemde band tussen de Amersfoortse politie en de LO/LKP zeker een rol zal hebben gespeeld De ware achtergronden en motieven voor dit verraad liggen opgeborgen in de archieven van de Nederlandse staat en de kans is erg klein dat deze stukken nog ooit het daglicht zullen aanschouwen. Het tweede verraad was het feit dat Roel Wolthuis en de andere RVV-leden moesten aanzien dat de moordenaar van hun verzetskameraad Karl Fürgler opnieuw in politie-uniform kon verschijnen en zelfs carrière mocht maken. De woede en pijn die dat heeft veroorzaakt is nooit meer goed te maken.

Daarom dragen we dit artikel op aan Karl Fürgler en Gijs Hofland, twee verzetshelden, die we op deze manier een stukje extra erkenning willen geven die ze rijkelijk hebben verdiend. Karl Fürgler liet een weduwe en een zoon achter. Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats “de Rusthof” in Amersfoort te midden van andere verzetshelden.

 

Bronnen:
-Joop Bloemhof: Amersfoort ’40-’45 deel I en II
-Haagsche Post 1968-1969
-Roel Wolthuis: artikelen/correspondentie1945-1968
-Amersfoortse Courant 12 februari 1968
-De Koerier maart 1968
-Zwolse Courant 16 februari 1968
- Foto’s Stadsarchief Amersfoort


februari 2005
achterpagina
14