Het alles verzengende vuur van het verraad
De ondergang van de linkse verzetsgroep CS-6
Door Bert Bakkenes

Verzetsgroepen en illegale werkers werden tijdens de Duitse bezetting bedreigd door twee vormen van verraad. De eerste vorm betrof het externe verraad, dat vooral uit de hoek kwam van NSB’ers en andere handlangers van de Duitse bezetters, en af en toe op rekening van gewone burgers kon worden geschreven waarbij de drijfveren vaak gezocht moesten worden in jaloezie, domheid of berekening. De tweede vorm was het interne verraad.
Hierbij ging het in de meeste gevallen om infiltratie door verraders en collaborateurs, de zogenaamde V-mannen of vrouwen, of om leden van de verzetsgroepen zelf die na arrestatie door de SD (Sicherheitsdienst) werden “omgedraaid” en voor de vijand gingen werken. De organisatie die het meest te lijden heeft gehad van intern verraad is de linkse Amsterdamse verzetsgroep CS-6.

Over de herkomst van de naam CS-6 lopen de verklaringen uiteen. Sommige ex-leden van de groep die de oorlog overleefden zeggen dat CS-6 staat voor Correlistraat 6, het Amsterdamse adres van de familie Boissevain waar de vergaderingen van de groep werden gehouden. Anderen beweren dat CS-6 Centrum voor Sabotage 6 betekend. De 6 zou slaan op 5 eerdere mislukte pogingen om een dergelijke organisatie van de grond te krijgen. Met zekerheid valt hier niets over te zeggen omdat van de leidende leden van de groep niemand de oorlog heeft overleeft. Er zijn ook andere vragen met betrekking tot de geschiedenis van de groep waarop,

om dezelfde reden, geen antwoord te vinden is. Zo is het ook niet duidelijk wanneer CS-6 precies is opgericht. Het is bekend dat in de eerste oorlogsjaren een groep van linkse studenten en intellectuelen, die later de basis van CS-6 vormden, vele soorten verzetswerk uitvoerden. Er werden papieren vervalst en gestolen, hulp gegeven aan onderduikers, bonnen rondgebracht, werk verzet voor de illegale pers en op kleine schaal was er ook sprake van sabotage.

De groep werd geleid door de zenuwarts Gerrit Kastein, een voormalig Kominternagent, die vanaf het begin in het verzet in Den Haag zat, na als arts bij de Internationale Brigade te hebben gediend in de Spaanse burgeroorlog.

Kastein had veel contacten met de illegale CPN en een belangrijke positie in het Militair Contact (de Mil), de sabotage groep van de partij.

Boek over Reina Prinsen Geerligs
Boek over Reina Prinsen Geerligs

Hij werkte ook als tussenpersoon om de contacten gaande te houden tussen de CPN-leiding en Koos Vorrink. Langzaamaan begon CS-6 in 1942 steeds meer vorm te krijgen en meer en meer jongeren sloten zich aan. Naast de verzetsactiviteiten werd er ook aandacht besteed aan scholing. Zo gaf P.A.M. Pooters, die een belangrijke ideologische positie innam binnen de groep, regelmatig scholingen Marxisme aan de Koninginneweg 121 in Amsterdam, het huisadres van Reina Prinsen Geerligs. Haar ouders waren uit veiligheidsoverwegingen naar Laren verhuisd, dus was het huis beschikbaar voor velerlei verzetsactiviteiten. Reina behoorde tot de kern van de organisatie samen met Hans Katan, Leo Frijda, Jan Verleun en de broers Sape en Bram Kuiper. Naast de nauwe banden met de CPN werd er ook samengewerkt met de Persoonsbewijzen Centrale en andere onderdelen van het kunstenaars en studenten verzet. Zo waren er sterke banden met het illegale studentenblad ‘De Vrije Katheder’. Hans Katan zette bijvoorbeeld samen met de communiste Geertje van de Molen een Vrije Kathederafdeling op in Groningen.

Naar buiten toe kreeg de groep vooral in Amsterdam bekendheid door een paar spectaculaire acties die bij de bevolking goed aansloegen. Zo stak Sape Kuiper een filmtheater op het Rembrandtplein in brand waar aan de lopende band de meest smerige Duitse propagandafilms werden vertoond. Het theater brandde tot de grond toe af. Er werd ook een poging gedaan om de Hollandsche Schouwburg in brand te steken.


november 2004
De Anti Fascist
8

 

De Hollandse Schouwburg in de oorlog
De Hollandse Schouwburg in de oorlog

De Nazi’s gebruikten het gebouw als verzamelplaats voor de Amsterdamse Joden, die vervolgens naar Westerbork en de vernietigingskampen werden gedeporteerd. De brandstichting mislukte.
Ook was de groep betrokken bij de overval op het Amsterdamse bevolkingsregister, en leverde de explosieven voor de actie, die was bedoeld om het voor de bezetter moeilijker te maken om mensen te identificeren en controleren.

Toen de Duitsers in januari 1943 de slag om Stalingrad verloren kwam Gerrit Kastein met het plan om een aantal leidende Nazi-aanhangers en collaborateurs te liquideren. Zijn argumentatie was dat de nederlaag bij Stalingrad de Duitsers gedemoraliseerd had en dat het uitschakelen van verraders en collaborateurs dit gevoel zou versterken, en meer onzekerheid onder de bezetters zou creëren. Iedere Nazi, handlanger of collaborateur, kon immers de volgende zijn. Op dat moment had de groep tussen de 50 en 70 leden op landelijk niveau, dus er waren zeker mogelijkheden voor een gericht optreden.

Wapens en explosieven waren ook voor handen. Het voorstel van Kastein werd dan ook aangenomen en wat overbleef was het nemen van een besluit over wie als eerste uit de weg zou worden geruimd.

Liquidatie Seyffardt
Er werd besloten dat het eerste doelwit generaal Seyffardt zou zijn. Hij was de oprichter van het Nederlands Vrijwilligers Legioen, een organisatie die Nederlanders rekruteerde om in de Waffen SS aan het Oost Front te vechten. Seyffardt was een bekend en ook gehaat figuur. Op de avond van 5 februari 1943 ging bij Seyffardt thuis de deurbel. Toen hij open deed openden twee jonge mannen het vuur met handvuurwapens. Het waren de CS-6 leden Leo Frijda en Jan Verleun die de liquidatie uitvoerden. (Sommige bronnen zeggen dat Kastein en Frijda de aanslag uitvoerden, maar Verleun heeft in zijn afscheidsbrief geschreven dat hij de schoten loste).
De twee ontsnapten, maar Seyffardt was niet meteen dood. Hij overleed pas de volgende dag nadat hij nog had kunnen vertellen dat het waarschijnlijk studenten waren die op hem hadden geschoten. Voor de bezetters was de aanslag een verrassing die om een snel antwoord vroeg. Er werden razzia’s gehouden op universiteiten in Amsterdam, Delft, Utrecht en Wageningen.

Ongeveer 600 studenten werden opgepakt en naar Kamp Vught gebracht. Een aantal daarvan is later weer vrijgelaten. Studenten die hierna wilden blijven studeren moesten een loyaliteitsverklaring tekenen. Dit werd door de grote meerderheid van de studenten geweigerd, wat weer tot meer actief studentenverzet leidde.

CS-6 zette nu de campagne door en op 7 februari 1943 schoot Gerrit Kastein secretaris-generaal Reydon, een prominente collaborateur, neer.

Doormiddel van een smoes was hij er in geslaagd het huis van Reydon binnen te komen. De vrouw van Reydon werd ook getroffen en was op slag dood. Reydon overleed een maand later. Op het moment van de aanslag waren veel activiteiten van Kastein al bekend bij de Duitsers. Naast het werk voor CS-6 had hij ook contact met een Haagse sabotagegroep die werd geleid door Kees Dutilh. Via deze groep maakte Gerrit kennis met Anton Van der Waals, een beruchte verrader die waar mogelijk het verzet probeerde te infiltreren. Kastein vertelde hem over de aanslagen en leende voor de aanslag op Reydon zelfs het pistool van Van der Waals. Ondanks het feit dat de Sicherheidsdienst dus op de hoogte was van de activiteiten van Kastein werd hij niet onmiddellijk gearresteerd. De SD gaf Van der Waals opdracht om hem eerst verder uit te horen over zijn spionage- en sabotageactiviteiten. Door een fout van een andere SD-eenheid werd Kastein toch opgepakt tijdens een afspraak, op 19 februari 1943, in café de Knoop te Delft. Hij verzette zich, maar had geen kans. Hij werd naar het Binnenhof in Den Haag gebracht voor verhoor. Op een zeker moment trok hij een verborgen pistool en schoot een SD-agent in het been. Toen weigerde het wapen.

Kastein werd naar een kamer op de tweede verdieping gebracht waar hij door 4 SD’ers werd verhoord. Hij maakte het verhoor tot een soort politieke discussie en toen hij op een zeker moment alleen was met een van de SD-agenten sprong hij met geboeide handen door een raam. Hij was op slag dood.

Gerrit Kastein had geen enkele naam genoemd en het gevaar voor CS-6 dat uitging van zijn arrestatie was even geweken. Hij was 33 jaar toen hij stierf, en zijn wegvallen was een grote klap voor de andere leden van de organisatie. Vooral Leo Frijda, die vaak met Kastein optrok, was diep geschokt.


november 2004
De Anti Fascist
9

 

Een nieuwe tactiek
De dood van Gerrit Kastein bracht CS-6 er toe om van tactiek te veranderen. In plaats van prominente handlangers van de bezetter uit te schakelen besloot men verraders te liquideren die een direct gevaar vormden voor het verzet of voor bijvoorbeeld de joodse gemeenschap. Zo schoot Sape Kuiper de politie-inspecteur Blonk dood en ruimde Leo Frijda samen met Hans Katan de SD’er Daan Blom uit de weg. Intussen raakte de Duitsers steeds meer gebeten op de groep en via verschillende infiltranten werd er veel informatie binnengehaald.

De leden van CS-6 hadden hier natuurlijk geen weet van en opereerden gewoon verder op verschillende plaatsen in het land.

Zo werd er in april 1943 ingebroken in het huis van de NSB’er F. Pas in Soest door verschillende leden van CS-6, waaronder Dio Remiëns. Er waren geruchten dat Pas voor de Gestapo werkte en inderdaad vonden de overvallers een SD-identificatiekaart van Pas die ze meenamen om hem later mee te kunnen chanteren.

Op zich verliep de actie zonder problemen, maar twee weken later herkende Pas Dio Remiëns als een van de overvallers, op het Centraal Station in Amsterdam.

Remiens werd opgepakt en op een zeker moment bracht de politie hem naar het huis van Pas, ter identificatie. Maar Pas en zijn vrouw beweerden nu dat ze de man nooit hadden gezien en Remiëns werd weer vrijgelaten. Remiëns en de andere betrokken CS-6 leden namen nu aan dat Pas misschien

wel voor de illegaliteit gewonnen kon worden en er waren verschillende ontmoetingen. Maar Pas speelde een dubbelspel om zo veel mogelijk informatie aan de SD te kunnen doorgeven. Hij had Remiëns alleen laten lopen om diens vertrouwen te winnen.

Lang kon dit spel echter niet goed gaan en eind juni ging het dan ook mis. Remiëns stuurde een van de andere overvallers, Toon Broeckman, naar een afspraak met Pas, omdat het voor hemzelf te gevaarlijk werd. De afspraak was in Hotel Trier en Broeckman werd opgepakt. Op 1 juli probeerde de SD nog een overvaller te arresteren, Joop de Groot, maar hij zag de heren aankomen en kon ontsnappen. Half juli werd Remiëns samen met zijn vriendin Nel Hissink-van den Brink gearresteerd in Abcoude, waar hij een boot had liggen waar hij Pas over had verteld. Tijdens zijn verhoor sloeg hij door en noemde de namen van Maarten van Gilse en de familie Boissevain.

Walter Brandligt, die ook voor de Persoonsbewijzen Centrale werkte en in de redactie van de Vrije Kunstenaar zat, heeft nog een poging gedaan om Remiëns en Nel Hissink-van den Brink vrij te krijgen. Hij maakte een afspraak met Pas vlak bij Amsterdam CS. Maar Pas had de SD op de hoogte gesteld en ook Brandligt werd gearresteerd. Het net om CS-6 begon zich te sluiten.

Op 2 juli 1943 schoten Reina Prinsen Geerligs en Louis Boissevain, een neef van de Boissevainbroers Janka en Gideon, de politieverrader Pieter Kaay in Enschede dood. Ook Jan Verleun, een gelovige katholiek die in het begin veel moeite had gehad met de liquidaties, liet zich niet onbetuigd.

Hij schoot twee verraders, Postma en Posthuma, dood en hield zich ook bezig met andere verzetsactiviteiten.
Verleun had ook contacten met de Orde Dienst (OD) die voornamelijk uit oud-militairen bestond, en samen met andere OD-leden zou hij spoorlijnen saboteren. Maar hij kwam er al snel achter dat de OD niet echt betrouwbaar was en verbrak het contact.

Verraad
De organisatie draaide nu op volle toeren en de schade leek tot nu toe beperkt. Maar het noodlot sloeg opnieuw toe, toen CS-6-lid Sape Kuiper samen met Henri Geul de tandarts de Jonge Cohen doodschoot. De tandarts had er een gewoonte van gemaakt om Joodse patiënten aan de Duitsers uit te leveren.
Toen Kuiper na de liquidatie op de fiets probeerde weg te komen dacht een glazenwasser, die het tumult had gehoord, dat het om een fietsendiefstal ging en hij gooide zijn ladder voor de fiets van Kuiper. Sape Kuiper werd gearresteerd en na te zijn mishandeld sloeg ook hij door.
Sape noemde het adres Cornelis Krusemanstraat 79-1 in Amsterdam. Daar woonde A. M. Klijzing, een neef van Ernst Klijzing die voor CS-6 werkte en het adres gebruikte voor vergaderingen van zijn sabotagegroep. A.M Klijzing werd opgepakt en de SD ging posten in zijn huis.

Toen Reina Prinsen Geerligs een revolver kwam afleveren op het adres, werd ze meteen gearresteerd. Hetzelfde lot ondergingen eerder Rita Klijzing, Suze van Stokken en Johan Kolfschoten (Kalshoven).
De SD had nu belangrijke leden van de groep in handen, en had ook informatie


november 2004
De Anti Fascist
10

 

over de familie Boissevain van Dio Remiëns gekregen. Op 2 augustus 1943 deed de SD een inval in het huis van de familie Boissevain op Correlistraat 6. Ze arresteerden Mies Boissevain en haar zoon Jan Karel, beter bekend als Janka. Zijn broer Gideon werd nog diezelfde dag in de van Baerlestraat opgepakt. In het huis vond de SD een complete werkplaats voor het maken van bommen en een behoorlijk lading explosieven. Ook Janka en Gideon werden gemarteld om nog meer informatie los te krijgen, maar het was duidelijk dat de SD intussen een behoorlijk kloppend beeld van de organisatie had. Hoe ze daar aan kwamen zullen we later zien.

Intussen ging de jacht op de nog vrije leden van CS-6 gewoon door. Ergens in de tweede helft van augustus 1943 deed de SD een inval in de Hudsonstraat 151 in Amsterdam. Ze waren nog steeds op zoek naar Ernst Klijzing, maar hij was niet in het pand. Ook Hans Katan, die in het huis een kamer had, was er niet. Maar de SD’ers troffen er wel Irma Seelig, de Duits-joodse vriendin van Leo Frijda, aan. Zij was al bij de SD bekend en werd meegenomen naar het SD hoofdkwartier voor verhoor. De Duitsers vonden wapens in het huis en een reçu voor een paar koffers die Ernst Klijzing in Roermond in bewaring had gegeven. Meteen al tijdens de eerste verhoren werd Irma Seelig hard aangepakt.

De Duitsers wisten dat ze joods was en ze werd twee dagen lang mishandeld door de SD’er Wehner in de Euterpestraat, die haar voor de keuze stelde; geëxecuteerd worden of samenwerken met de SD. Irma was niet bepaald een sterke persoonlijkheid en ongeschikt voor het zwaardere verzetswerk, maar ze deed wel klussen voor CS-6.

In eerste instantie probeerde ze haar vrienden te beschermen, maar toen de verhoren werden overgenomen door een andere SD’er, Oelschlãgel, was ze verloren. Oelschlãgel was een bijzonder figuur die als uiterst gevaarlijk te boek stond. Er werd zelfs gezegd dat hij tijdens verhoren zijn slachtoffers kon hypnotiseren als ze hem aankeken. Hij kreeg al snel invloed over de jonge vrouw en bleef aandringen dat ze voor de SD moest werken. Uiteindelijk stemde ze in, hopende dat ze tijd zou winnen om met een ander lid van de groep, Jan van Mierlo, naar België te vluchten. Ze werd inderdaad vrijgelaten, maar van ontsnappen was geen sprake. Irma Seelig werd totaal ingepakt door Oelschlãgel en liet veel oude vrienden in de val lopen. Namen noemen was in feite niet nodig omdat de SD al precies wist om wie het ongeveer ging. Maar Irma Seelig liet zich wel als lokvogel gebruiken, en dit leidde tot de arrestatie van een aantal CS-6-leden.

Er volgden meer arrestaties waar Irma Seelig buiten stond. In augustus 1943 werd Leo Frijda opgepakt en ook Hans Katan liep in het net van de SD tijdens een inval in het huis van Ed Hoornik in Amsterdam. Waarschijnlijk waren de SD’ers Katan gevolgd, maar de ware toedracht is nog steeds niet aan het licht gekomen. Zijn plan om de NSB-leider Mussert te liquideren kon hij niet meer uitvoeren. Het is bekend dat Katan contacten had met de infiltrant Ridderhof, de Abwehr agent die deels verantwoordelijk is voor het oprollen van CS-6. Ook de verrader Anton Van der Waals was nog steeds actief en het staat bijna vast dat hij verantwoordelijk was voor de arrestatie van P.A.M Pooters op de Amstelveenseweg in Amsterdam. Pooters werd hier bij neergeschoten. Weer was een leidend lid van CS-6, die grote invloed had op de andere leden, door verraad in handen van de Duitsers gevallen.

Irma Seelig, was intussen weer op vrije voeten en ging in opdracht van Oelschlãgel contact leggen met haar verzetsvrienden. Dat lukte zonder veel moeite en ze was betrokken bij de arrestatie van Truus van Lier in Haarlem in september 1943. Op 3 september schoot Truus de Utrechtse politie-commissaris G.J. Kerlen dood die een bloedige reputatie had opgebouwd, en bezig was met het voorbereiden van razzia’s. De liquidatie, die plaatsvond in het Willemsplantsoen, zorgde voor veel consternatie onder de Duitsers in Utrecht, en Truus dook in Haarlem onder. Na een ontmoeting in een café waarbij Irma Seelig wat kleren voor Truus van Lier had meegebracht, en ook Jan van Mierlo en Louis Boissevain aanwezig waren, werd Truus buiten door de SD gearresteerd zonder dat de anderen het merkten. Louis Boissevain lieten ze nog lopen.
Jan van Mierlo nam Irma in zijn groep op, zonder te weten dat ze nu voor de SD actief was, en uiteindelijk leidde dit tot zijn arrestatie. Ook Louis Boissevain viel in Duitse handen.
De SD had nu het overgrote deel van CS-6 in handen. Toen alle verhoren waren afgesloten werden 19 mannelijke leden van de groep op 1 oktober 1943 in Overveen gefusilleerd. Onder hen waren: P.A.M Pooters (32), Sape Kuiper (19), zijn broer Bram (21), Leo Frijda (20), Hans Katan (24), Dio Remiëns (24), Jan van Mierlo (35), Walter Brandligt (42), Johan Kalshoven (20) en Toon Broeckman (32). Zij liggen begraven op de Erebegraafplaats in Bloemendaal.
De meeste vrouwen die waren opgepakt, waaronder Mies Boissevain en Tineke Wibaut gingen eerst naar Vught en later naar andere kampen in Duitsland. Mies en Tineke overleefden de oorlog.
Suze van Stokken, die in de Cornelis Krusemanstraat was opgepakt, overleed in Vught in 1944.

november 2004
De Anti Fascist
11

 

Voor Reina Prinsen Geerligs, Nel Hissink-van den Brink en Truus van Lier kenden de Duitsers geen enkel pardon.

De meisjes werden weggevoerd naar Sachsenhausen en in het kamp werden ze op 24 november 1943 geëxecuteerd. Getuigen hebben gezegd dat de drie verzetsheldinnen met opgeheven hoofd en zingend naar de executieplaats liepen. Reina was 21, en Truus was nog maar 20. Ondanks alle ellende die ze in hun jonge leven al hadden gezien weigerden ze op te geven, tot de laatste seconde.

Het einde van de organisatie
Na de executies bleven de overgebleven leden van CS-6 de strijd voortzetten. Op 22 oktober 1943 vielen leden van CS-6, waaronder Jan Verleun en Kas de Graaf, het hoofdbureau van Politie in Utrecht binnen, en zij slaagden er in om een aantal gevangenen te bevrijden. Ze konden ook ongeschonden wegkomen. Het zou de laatste actie van CS-6 zijn. De groep was al uitelkaar geslagen en mede door toedoen van Irma Seelig werden de nog in vrijheid verkerende leden opgepakt. Zo werd Jan Verleun op 4 november 1944 op de Overtoom in Amsterdam gearresteerd.

Hij had een afspraak met Irma, en er wordt gezegd dat hij van plan was om Irma te liquideren, omdat haar verraad intussen bekend was. De verrader Ridderhof werd tijdens de arrestatie in de buurt gezien. Op 7 januari 1944 werd Jan Verleun geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag. Ook Ernst Klijzing liep tegen de lamp, omdat hij op een motor zonder papieren reed. Hij werd op 17 juli 1944 doodgeschoten, ook op de Waalsdorpervlakte.

De vele arrestaties stelden Kas de Graaf in staat om het roer zo’n beetje over te nemen. Hij besloot om samen met een ander lid van de groep, Bob Celosse, naar Engeland te gaan met een boodschap van het verzet voor de regering in Londen. Hij wilde een officiële opdracht van de Raad van Verzet, maar de RVV voelde hier niets voor. Toch vertrok de Graaf samen met Celosse op 22 november 1943.

In Parijs raakten de twee in de problemen en konden alleen verder reizen na hulp te hebben gekregen van Christiaan Lindemans, beter bekend als King Kong. Via Spanje en Gibraltar kwamen ze in Engeland terecht. Tegenover de Engelse en Nederlandse autoriteiten schetste de Graaf een overdreven beeld van CS-6 en gaf een gedetailleerde lijst van de aanslagen en de andere activiteiten.

Zijn overdreven blufverhalen werden niet doorzien en met veel geluk kreeg hij een hoge functie bij de Special Operations Executive (SOE Dutch Section). Hij kreeg nu de vrije hand om sturing te geven aan het verzet in het bezette Nederland.

In februari 1944 stuurde de Graaf Celosse en een collega, Cnoops, terug naar Nederland om nieuwe sabotageacties voor te bereiden. Celosse probeerde in Nederland weer in contact te komen met zijn oude verzetsvrienden, maar slaagde er niet in. Wel liep hij Lindemans weer tegen het lijf die aanbood om te helpen. Om wat voor soort hulp het ging werd duidelijk op 23 mei 1944 toen Celosse en Cnoops beide werden opgepakt door de SD.

Lindemans was een intussen beruchte verrader die alle activiteiten van Celosse trouw aan de SD had doorgegeven.

Deze arrestaties waren het einde van CS-6 en het is niet moeilijk om de verantwoordelijke persoon voor deze nieuwe ramp te vinden. Kas de Graaf die in het najaar van 1944 als lid van de staf van Prins Bernard naar Nederland terugkeerde, werkte waarschijnlijk al sinds 1942 voor de Duitse Abwehr. In die tijd kende hij Gerrit Kastein en Hans Katan al. Het was Jan Verleun die hem bij CS-6 bracht, zonder te weten wie de werkgevers van de Graaf waren..

Het viel de gearresteerde CS-6-leden steeds weer op hoeveel de SD al wist over de organisatie en de verschillende activiteiten. De kans is groot dat de Graaf, die ook lid van de NSB was, al die jaren informatie over de groep aan de Duitsers heeft geleverd. Hij deed dit niet alleen, ook George Ridderhof en Anton van der Waals speelden een rol in het verraden van CS-6. Dit had ook zijdelings te maken met het beruchte ‘Englandspiel’. Vast staat dat de Abwehr en de SD doorlopend op de hoogte waren van wat er binnen CS-6 gebeurde. Na de oorlog kregen de verschillende verraders hun verdiende straf. Van der Waals en Ridderhof werden geëxecuteerd en Christiaan Lindemans, die samen met Kas de Graaf de laatste leden van de groep liet uitschakelen, mocht op 20 juli 1946 zelfmoord plegen. Het staat vast dat Lindemans de luchtlandingen bij Arnhem aan de Duitsers heeft verraden, maar van wie hij die informatie had is nooit duidelijk geworden. Het kan zijn dat Kas de Graaf hem op de hoogte stelde, maar de informatie kan ook direct van Prins Bernard zijn gekomen. Daarom werd zijn zelfmoord niet verhinderd, hij wist te veel. Tot op het hoogste niveau. En Kas de Graaf? Hij mocht gewoon lid van de staf van Prins Bernard blijven.


november 2004
De Anti Fascist
12

 

Ondanks wat problemen na de oorlog over zijn rol in het verzet heeft hij geen dag in de gevangenis doorgebracht. Hij kon rustig zijn rol als verzetsheld blijven spelen.

Zijn Duitse werkgevers kwamen er minder goed vanaf. Oelschlãgel en Wehner, die Irma Seelig omdraaiden, werden kort na de oorlog door verzetstrijders doodgeschoten. De Nederlandse SD’ers Maarten Kuyper (de moordenaar van Hannie Schaft) en W.C. Mollis, beiden betrokken bij de arrestatie en mishandeling van CS-6-leden, werden gearresteerd, veroordeeld en geëxecuteerd.

Irma Seelig; verraadster of slachtoffer?
De enkele leden van CS-6 die de oorlog overleefden hebben vaak Irma Seelig aangewezen als de vrouw die CS-6 heeft verraden. Dit is niet helemaal correct. Het staat vast dat ze, na eerst oprecht lid van de organisatie te zijn geworden, na haar arrestatie voor de SD heeft gewerkt. Als lokvogel heeft ze tenminste 7 of 8 leden van de groep in de val laten lopen.

De SD’er Oelschlãgel had zoveel macht over de jonge vrouw dat ze zelfs een verhouding met hem begon. Intussen is duidelijk geworden dat de arrestaties onder de leden van de groep al aan de gang waren voordat zij werd opgepakt en dat anderen verantwoordelijk waren voor het infiltreren en verraden van de groep.

Irma Seelig speelde hierin alleen zijdelings een rol. Het staat vast dat haar activiteiten slachtoffers hebben gemaakt, maar toch was ook zijzelf slachtoffer van een situatie waar ze niet tegenop kon. Na Dolle Dinsdag, september 1944, stuurde Oelschlãgel haar naar zijn familie in Duitsland. Maar ze werd opgepakt omdat ze niet de juiste papieren had. Tot het einde van de oorlog zat ze in de gevangenis. Na de ineenstorting van het Nazi-regime dook ze ergens in Duitsland onder. Uiteindelijk werd ze toch opgepakt door de geallieerden en in 1946 naar Nederland teruggebracht.
In 1948 werd ze tot 8 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na haar vrijlating verliet ze Nederland in 1955 en verdween, waarschijnlijk naar Duitsland. Sinds die tijd is ze onvindbaar.

Conclusie
De geschiedenis van CS-6 maakt duidelijk hoeveel moeite de Duitsers deden om vooral in linkse verzetsorganisaties te infiltreren en de groepen van binnenuit te vernietigen. Met CS-6 zijn ze daar zondermeer in geslaagd.

Toch zijn de studenten en communisten van CS-6 er ondanks alles in geslaagd om de vijand gevoelige klappen toe te brengen. In totaal werden 24 verraders of collaborateurs door CS-6 geliquideerd. Dit heeft honderden mensen het leven gered.

Ook werd er op alle mogelijke andere manieren verzet geboden. Maar de prijs was hoog, enorm hoog. En die prijs werd vooral door jonge mensen betaald. Jonge mensen die niet alleen een einde wilde maken aan de Nazi-heerschappij, maar ook strijd leverden voor een andere, betere wereld.

Door de smerige praktijken van een paar verraderlijke elementen moesten ze die strijd voortijdig staken.

Foto Verzetsmuseum Amsterdam

november 2004
De Anti Fascist
13

 

Na de oorlog vond CS-6 maar weinig erkenning.

Men wilde liever vergeten dat het nodig was geweest om verraders, die een bedreiging vormden voor hun omgeving, uit te schakelen. Ook het feit dat het om een linkse organisatie ging speelde hierin een rol.

Maar mensen die de oorlog in Amsterdam en omgeving hebben meegemaakt denken nog steeds met eerbied en respect terug aan de daden van de helden van CS-6. En dat is meer waard dan grote monumenten en niet gemeende vormen van eerbetoon.

Oproep
De geschiedenis van CS-6 is nog steeds niet compleet. Veel informatie is verloren gegaan omdat de meeste leden van de groep tijdens de oorlog zijn vermoord. Ook de Duitse dossiers van de verhoren van CS-6 leden zijn spoorloos verdwenen. Als er mensen zijn met meer informatie of correcties en aanvullingen kan er contact worden opgenomen met de redactie van dit blad.

Iedere aanwijzing kan van groot belang zijn. Het zou een eerbetoon zijn aan de leden van CS-6 als we de gaten in de geschiedenis van de groep zouden kunnen opvullen.

Bronnen:
Rob van Olm ‘Recht al barste de wereld’ Reina Prinsen Geerligs en de ondergang van de verzetsgroep CS-6.
Hansje Galesloot/Susan Legène ‘Partij in het Verzet’ de CPN in de Tweede Wereld Oorlog.
Jan Portein ‘Het prinselijk schaduwcommando’ deel 1 tot 6, verschenen in Kleintje Muurkrant 1999/2000.
Tonnie Luiken ‘Een biograaf gezocht’, de Groene Amsterdammer 17 april 1996.
Internetsite De Morgenster ‘Verraad in de Vijzelstraat’ december 2002.
Wat is herdenken anders dan samenzijn? Interview met Nel Pooters.

november 2004
achterpagina
14